Blog – 7 jaar in de hooglanden van Papua

Before Article

Van 2005 tot 2012 was Marnix Balke in Indonesia-Papua werkzaam als consultant organisatieopbouw en economische ontwikkeling. In die periode woonde hij met zijn gezin in Wamena in de Baliem vallei, die kort na de Tweede Wereldoorlog pas ontdekt was. Door de invloed van buitenaf, kwamen de bewoners vanuit het stenen tijdperk in de moderne tijd terecht. Met geld, vliegtuigen, auto’s en andere moderne technologie. Daarnaast gingen overheid, zending- en ontwikkelingsorganisaties zich met hen bemoeien. Nog regelmatig krijgt Marnix de vraag hoe het was om daar te werken en of duurzaamheid daar ook een rol speelde. Hij deelt zijn ervaringen in deze blog.

Bio-based economy

De Papua’s leefden als natuurvolk in symbiose met de natuur. Het bijzondere was dat deze manier van leven in zichzelf al diverse volhoudbare elementen had. Denk onder andere aan wisselbouw van de groentetuinen. Als er (tijdelijk) roofbouw en bodemuitputting was gepleegd door aanleg van tuinen, werden deze na een aantal jaren afgebrand en mochten de varkens de grond bemesten. Daarna kwam weer een periode van bebouwen. Alle materialen die gebruikt werden, waren natuurlijk en daarmee bio-based. Afval ontstond pas toen er materialen van buiten werden ingebracht.

Een van de eerst gewilde producten van buitenaf waren ijzeren bijlen. Deze gaven betere resultaten dan eigen gemaakte stenen bijlen.

 

– Marnix Balke, senior consultant & project manager bij CFP Green Buildings

gebouw in PapuaOntwikkeling op grote schaal

Wamena, de hoofdstad van het binnenland, was volop in ontwikkeling en had daarmee veel overheidsgebouwen, scholen en winkels nodig. Om dit te realiseren, werd de architectuur van andere delen van Indonesië veelal gekopieerd. Dit betekent dat er van grind, zand en cement metselblokken werden gemaakt. De muren werden vervolgens afgestuct met cement en aan beide kanten geschilderd. Hiervoor was veel zand (uit de rivier gewonnen) en cement (ingevlogen) via een lange logistieke keten nodig.

Aan de slag met lokale materialen

De Baliemrivier heeft echter ook voor veel kleiafzetting gezorgd op diverse plaatsen. In de jaren 60 was er al eens een missionaris bezig geweest met het bakken van bakstenen, maar dat was doodgebloed. Omdat er in het programma van onze stichting ook diverse schoolgebouwen neergezet moesten worden, was dat een goed moment om diverse zaken te combineren! Door in het ontwerp van de gebouwen prominent rode bakstenen op te nemen, ontstond een voorbeeldproject wat een aantrekkelijk ontwerp combineerde met de lokaal geproduceerde bakstenen. De lokaal geproduceerde bakstenen zorgde voor inkomen van de lokale bevolking. De bakstenen waren bovendien goedkoper en van betere kwaliteit dan de cementen bakstenen. Toen ook andere bouwprojecten overgingen op lokale bakstenen, ontstond daarmee een boost die ook voor duurzaamheidswinst zorgde voor de lokale economie. Er ontstond meer werkgelegenheid, meer gebruik van bio-based materialen en de ontstane kleigaten konden later als visvijvers voor kweekvis dienen.

Duurzaamheid van nu

Voorbeeldprojecten die aanspreken, afstemming met diverse stakeholders voor draagvlak en slagkracht, meer gebruik van bio-based materiaal en het verminderen van logistiek met CO2-winst tot gevolg: het zou allemaal zo in een BREEAM-vragenlijst of andere duurzaamheidsmaatlat van nu passen. De indicatoren en beoogde effecten waar toen vooral op gelet werd, waren inkomen & arbeid voor lokale bevolking, lokale waarde creatie en de versterking van economie en onderwijs. Oftewel een multiple effect. Is dat ook niet het mooie aan duurzame projecten? In ontwikkelingswerkjargon was de route van activiteiten naar outcome, output en een bredere impact. En in de huidige projecten is het eigenlijk weer net zo en geeft de uiteindelijke bredere impact op verduurzaming en samenleving mij ook in Nederland weer elke dag zin om aan de slag te gaan!

Geschreven door: Marnix Balke, senior consultant & project manager bij CFP Green Buildings